ER SNIJDT IN MIJ EEN DIEPE SCHERPE PIJN

Er snijdt in mij een diepe scherpe pijn
Die zich vermengt met elk moment van zijn,

Genesteld, heeft het zich veelarmig en wreed
Versterkt door al dat tasten, grijpen, klauwen

Het wangedrocht dat liefdeloosheid heet,
Mij steeds in duistere hoekjes duwen

Bespieden, ontbloten en beschimpen
Weerzinwekkend en pijnlijk afgrijselijk bekruipen
En je ligt stokstijf stil in haast doodse verstamng

Je vlucht voor je eigen beklemmende verwarring
De haat ze bestaat maar ze is steeds versmacht
Door de angst dat je levenloze lichaam wordt verkracht
De trap, de kamer, het bad, het toilet .. .
Het verplicht je te kijken, te voelen, te spreken en te kussen

Dus ga je dood, borst, buik en benen
Verkilling zelfs tot in de toppen van je tenen
Er rest daar een stom karkas van het kind dat ooit nog ongeschonden was
Zoenen, voelen, liefkozen, leven, kinderen
Je eigen voeding geven,
Kapot verstand verstikt begraven
Tenzij mijn wanhoop zich aan nieuwe kracht kan laven.

Vilvoorde, 2003



De kolère en de pijn
Jarenlang heeft het geduurd