|
Wat een lelijk monster, Was het eerste dat mijn moeder zei Toen ze mijn pas aangekochte vriend, de mopshond zag. Florke, heb ik hem genoemd, dat kleine rimpelige ding Met zijn bolle oogjes, en zijn platte snoet. Met zijn zachte vel, en geur van karamel, Waar mijn hart van overstroomt. Gij fleurde mijn leven op. Voor mij ben je de mooiste hond op aard. Ik had zo ’n angst om dood te gaan, Omdat jij dan niet zou weten waar ik was heengegaan.
Laurette, Lier, 2001
|
|