KINDEREN

Geluk ligt in een klein hoekje,
Bij de kleintjes zelfs bij een koekje.
Wat kunnen ze onnozelweg gelukkig zijn,
Met een klein koekje fijn.
Of een lekkere snoep,
Voor wie niet lust de koek.
Ze voelen zich toch zo vlug goed,
Al is het maar met een klein prentenboek.
Was ik nog maar een kind,
Dan kon ik zoeken wat ik nu niet vind.
Kleine onnozele grapjes,
En tevreden zijn met millimeterpakjes.
Bij alle prettige dingen die er zijn,
Houden kinderen het leven fijn.
Ze zijn het zonlicht in de ogen,
Van jong, oud, bejaard en onomwogen.
Hun glimlach spreekt boekdelen,
En met gejuich zouden ze het elke minuut willen uitkelen.
Het begint als baby met dadadadadadadada,
Dan komt hahahahahahahaha.
Stilaan komen de woordjes,
En ze spelen met je zonder gedachten met achterpoortjes.
Ze maken voor eeuwig deel uit van je leven,
Maakt niet uit of je ze veel of weinig kunt geven.
Ze zijn verplicht veel liefde te krijgen,
Zodat ze ook jou steeds weer met teruggevende liefde aaneenrijgen.
Kinderen houden je steeds weer tegen,
Om ooit op te geven je eigen leven.
Want voor hen ben je verplicht verder te gaan,
Anders had je ze nooit door een eicel moeten laten bestaan.

Isabelle, Vilvoorde, 2003



Dit heb ik geschreven op zondagnamiddag
Mijn kinderen zijn als goud